Back to overview

Het internationaliseringsbegrip in een Post-Coronasamenleving, wat betekent dat? “Anno 2021, internationalisation remains one of the most important and promising potentialities of artistic freedom”, schreef Errol Boon in 2019, toen corona nog niet in ons publieke denken geworteld was. Gevolg door: “but it must always be prevented from becoming a dead dogma.” Al vóór de crisis wordt het een en ander duidelijk dat belangrijk is mee te nemen in het denken over en het handelen naar internationalisering. In deze post zet ik uiteen wat het theoretisch laden van het begrip in de kunsten de afgelopen weken concluderend verhaalt en in welke aanvullende vragen dit resulteert die tijdens de crisis besproken moeten worden. Deze vragen bespreek ik in het licht van de actualiteit en met oog op de toekomst nabij corona de komende weken met het werkveld, in chronologisch volgorde: Jeanne van Heeswijk, Jack Segbars, Erik Hagoort, Pascal Gielen, Cecilia Bengtsson, Merlijn Twaalfhoven, Hicham Khalidi, reinaart vanhoe en Suzanne van der Beek.


Deze eerste Fase van het onderzoek sluit af met mogelijkheden die voor AIR’s waardevol kunnen zijn om in het denken over en handelen naar internationalisering nu en in de toekomst mee te nemen, zoals in deze post te lezen. Deze ‘laag’ aan mogelijkheden wordt in de volgende post over de Proeftuin Proposals die Brabantse AIR’s vlak voor de coronacrisis opstelden gelegd. Na gesprekken met het werkveld in deze tijd en de herziene internationaliseringswaarden, wordt er met AIR’s in Brabant opnieuw naar gekeken en wordt de toekomst gecentraliseerd.



[Opbrengsten Fase 1]

Het kader van het Provinciale geld voor residenties was:

“Brabantse residentieprojecten die gericht zijn op het verstevigen, verbreden en zichtbaar maken van internationale netwerken, waarbij internationale makers een periode in Brabant doorbrengen en zich verhouden tot de omgeving waar ze deze residentie uitvoeren, kunnen een bijdrage ontvangen. (Maximaal €8.000). ”

Dit onderzoek verbreedt het internationaliseringsbegrip t.a.v. de Proeftuinaanvragen als antwoorden op de Proeftuin Internationalisering door BrabantStad en Kunstloc;


WAT is internationalisering?

Volgens de eerste vier secties in dit onderzoek is internationalisering een handeling tussen ‘hier’ en ‘daar’ die fysiek en mentaal wordt gevoerd door betrekkingen. Waar deze handeling in eerste instantie als het fysieke proces over landgrenzen en grote afstanden heen wordt gedefinieerd (zie o.a. informatiepagina’s als Wikipedia), is in deze grenzeloze samenleving internationalisering niet inherent verbonden aan de passage van een land. De handeling tussen ‘hier’ en ‘daar’ vindt ook translokaal plaats (door globale vraagstukken in een lokale context te denken – en andersom: de toenemende globale focus op het lokale), virtueel, of binnen een land als zodanig; maar niet in gelijke mate.

In de kunsten wordt deze dialoog onder andere als voorwaarde voor nieuwe perspectieven, verruiming van (artistieke) perceptie en kennis gezien, iets dat niet meer los te denken is van de actualiteit: we verhouden ons onlosmakelijk tot ‘daar’, tot ‘nieuw’ en ‘ander’ aanbod, hetgeen bijdraagt aan het in verbinding brengen van diverse publieksgroepen maar ook uitsluiting, privileges en Verwestering tot gevolg heeft. Niet iedereen kan in gelijke mate overschouwend naar de wereld kijken. Internationalisering is daarom een structureel en belangrijk proces: het is geen eenmalige actie voor symbolische reputatie en/of kapitaal, maar een continue vraag naar interactie die we kunnen voeren in de kunstecologie als zodanig evenals de vraag waar internationale circulatie en binnen welk systeem dit zich eigenlijk afspeelt.    

Internationalisering staat niet los van het vraagstuk naar (kunst)ecologie evenals dat AIR’s hier niet los van staan. Toch wordt vaak overgegaan tot concrete acties die direct zouden bijdragen aan o.a. het vormen van nieuwe netwerken en internationalisering kunnen duiden, maar waarmee de vraag internationalisering praktisch wordt beantwoord – veelal in dienst van de eigen identiteit boven bilaterale of meerzijdige uitwisseling. Internationalisering kan zichtbaarheid en bestaansrecht middels netwerkvorming stimuleren en maakt kennisdeling mogelijk, zo stellen deze Secties unaniem, maar belangrijk is dat die verbinding als ethisch vraagstuk boven het meer economische ‘be where it happens zijn’ wordt gefundeerd. Het vraagstuk inclusiviteit door diversiteit in een programmering kan slechts vanuit intrinsieke en noodzakelijke waarde groeien tot iets dat zich eventueel kan gaan uitdrukken in economisch rendement [lees: de gewenste zichtbaarheid en bestaansrecht in en van de kunsten], niet andersom.

De handelingen die internationalisering richting geven betekenen al met al dus niet alleen (meer) de fysieke mobiliteit van personen of kunstwerken, maar ook en bovenal de mentale mobiliteit van organisaties en kunstenaars: om frisse winden binnen te laten en oprecht te willen leren van Een Ander; vanuit het besef dat het ‘ik’ niet zonder bestaat of (niet economisch) kan groeien. Om dit mogelijk te maken is een wederzijdse betrokkenheid nodig: wederkerigheid.

Normen en waarden in het vormen van netwerken kunnen hiervoor als gesprek op de 1e plaats centraal staan, ook als dit conflict en discussie veroorzaakt. Internationalisering kan bijdragen aan verbinding en uitwisseling, maar dit gebeurt of ‘is’ niet vanzelf. Hiervoor is niet slechts het bieden van een Studio elders van waarde, maar het bevragen van de eigen structuren door de aanwezigheid van deze relatie: een gast is méér dan een tijdelijke gast, hij of zij intervenieert hoe iets was voorafgaand aan zijn of haar komst.

Doordat uitwisseling vanuit het gewortelde ‘hier’ (lees: de situatie op de ‘grond’ waarin de AIR zich plaatst) vertrekt, staat internationalisering tevens in verbinding met lokaliteit, ofwel de condities vanuit waar wordt gedacht en gewerkt; iets dat zowel fysiek als mentaal te lezen is. Het afstand nemen van eigen aannames is in deze 1e 4 Secties unaniem als verbindende waarde van internationalisering gebleken: iets dat actief handelen en openstellen vergt. Internationalisering is ‘niet zomaar’ gedaan, maar omvat een proces dat verschillende niveaus, zoals de doorvoer van het openstellen in programma’s en structuren, de vraag naar de toekomst van kunst(ecologie/productie) te stellen voorbij een thematische insteek, mobiliteit als zodanig te bevragen, evenals kennis en netwerken (die meer betekenen dan het bijdragen aan een goede reputatie) te onderzoeken. Internationalisering kent een geluid dat als wens met oog op de toekomst de richting krijgt van een vriendelijke en zachte aanpak:

Minder vraag- maar aanbodgericht en meer humaan te handelen: als gesprek dat in het bijzonder gevoerd moet worden over de kunstecologie in het maken en definiëren van kunst




WAAROM internationalisering?

(Waarden) Internationalisering als proces kan zorgen voor zichtbaarheid van kunst en cultuur, voor inclusiviteit in de kunst, voor duurzaamheid en het centraliseren van mondiale vraagstukken om de tijd aan te kunnen. Echter wordt ook zichtbaar dat juist door internationalisering de Westerse kunstcanon in de kunst en daarbuiten lange tijd sturend is geweest en tevens wordt de kanttekening gemaakt dat internationale kunstenaars in een nieuwe context ook moeite kunnen hebben met het treden voorbij een clichématige (meer toeristische) ‘gaze’. Echter, het ‘zijn’ in een onbekende, alternatieve context draagt bij aan inspiratie, maar ook aan eventuele stagnaties: juist door de botsing die het kan laten ervaren. Dit levert inzichten op, waardevol voor de individuele ontwikkeling van de kunstenaar die in een AIR achter kan laten wat (voor kunstenaar) hij/zij was, door de confrontatie met deze worsteling.

Deze confrontatie, als botsing, is wat internationalisering unaniem waardevol maakt: ook en vooral als dit discussie, interactie en dus ontmoeting veroorzaakt. Deze discussie omtrent internationalisering is in Sectie 2 en 3 komen te liggen op de machtshiërarchie besloten in het begrip en in de laatste Sectie meer op de vraag naar duurzaamheid en het relationele paradigma dat AIR’s kunnen verkiezen boven homogenisering in en van de kunst, als monocultuur, wat het begrip vooral een vraag naar de kunstecologie in Nederland en daarbuiten maakt uitgaande van een dominante economie en creatieve industrie die kunst als vraaggerichte productie kan duiden:  

Internationalisering is het proces van vragen stellen naar culturele dialogen en waar en hoe die dialogen zich afspelen (red. in de lokale context, aan de andere kant van de wereld)

In een AIR is internationalisering tweeledig van waarde: ondanks dat een gast en host niet dezelfde positie kennen in AIR’s en gastvrijheid nooit onvoorwaardelijk is, draagt het aan wederzijdse ontwikkeling bij, waar het begrip anderzijds ook een veelal economische waarde naar status en betekenis blootlegt: het meedingen naar het actuele en een ‘top’. De vraag of en hoe internationalisering culturele uitwisseling en solidariteit stimuleert wordt herhaaldelijk gesteld in Secties 2 t/m 4. Omdat het begrip niet meer weg te denken is uit het leven door o.a. globalisering en digitalisering is het Hoe speerpunt van aandacht (zie derde kolom), verbonden aan het Waarom. Internationalisering ‘is’, als realiteit in de kunst en daarbuiten, maar Hoe het ‘is’ moet worden opengelegd.  
Waar internationalisering werd verhaalt als het vergroten van het zelfbewustzijn door te tonen wat ‘relevant is’ kan er ook hier een kritische aantekening worden gemaakt: tonen lijkt vanuit veel documenten te passief, juist omdat internationalisering dan antwoord zou kunnen geven op ‘goede kunst’, maar het in werkelijkheid antwoord geeft op machtshiërarchie (van/in het Westen): wil je je daar eigenlijk wel toe verhouden (op deze manier)?

Hier komt de AIR, omschreven als alternatieve katalysator in de kunsten, buiten deze hiërarchie, om de hoek kijken. Het moet om de inhoud van het begrip blijven gaan, om de intrinsieke waarde van kunst en artistiek onderzoek, niet als de heldere en duidelijke framing in cijfers. Het meedingen naar de ‘top’, het tonen van ‘internationale topkunst’ en het in stand houden van homogenie in de kunsten enerzijds en het verbreden van percepties tot inclusie, duurzaamheid en lokale samenwerkingen voor het nemen van afstand, raken een spanning. Die spanning onderzoeken we nader in Fase 2: internationalisering in COVID-19 en daarna.




HOE internationalisering?

(Handelingswijzen) Zoals in bovenstaande kolom aangegeven zijn de intenties achterliggend aan internationaal handelen speerpunt van aandacht, daar waar AIR’s een kritische houding in kunnen aannemen. De omgang met internationalisering, en dus de handeling (het Hoe), gesteund op waarden die de basis van de handeling vormen, vraagt om een reflectie verbonden aan de actualiteit: gedeelde waarden, het vergroten van vrijheden, lokaliteit en duurzaamheid en klimaatongelijkheid. Als internationalisering de dialoog tussen culturen in een organisatie verhaalt, dan is internationalisering pur sang geen Engelse gesprekken voeren, maar als organisatie (of gastheer) het nadenken over de inter- en intra-culturaliteit van de organisatie. Als internationalisering gepaard gaat met fysieke mobiliteit van kunstenaars voor uitwisseling en gesprek (breder dan het tonen van ‘kunstwerken’ in een museum elders), moet na worden gedacht over de implicaties voor de wereld en de mogelijkheid van die handeling: die niet voor iedereen gelijk voor handen. En als laatste voorbeeld: als internationalisering in het licht van het klimaat betekent dat we anders willen maar bovenal moéten reizen, dan betekent het vraagstuk duurzaamheid in de organisatie een brede vraag, niet slechts de facilitering van binnenlandse internationale kunstenaars of het aanbieden van treintickets.

Op lokaal niveau is de zelfbevraging van een AIR in verbinding met de infrastructuur waarin zij bestaat van groot belang naar het duurzaam kunnen bestaan van een plek in een situatie. Een zelfbevraging betekent het openen van het eigen perspectief, waarvoor een inter- en transcultureel gesprek gevoerd moet worden. Dit ís de realiteit in de kunst, maar Hoé dit gesprek gevoerd wordt, kan zelf als vraag in plaats van aanname bestaan: juist in een AIR lijkt deze dialoogvorming en voering tussen verschillende artistieke percepties speerpunt van aandacht te zijn: hetgeen een actieve positie van de host vraagt die in relatie met haar gasten het eigen Hoe blijft onderzoeken; als haar raison d’être.  

Internationalisering is als begrip niet onschuldig of gelijk aan solidariteit wanneer het vanuit aannames ingevuld wordt en systemen bevestigt in plaats van opent


Een inter- of transcultureel gesprek kunnen voeren vanuit waarden die in handelingen kunnen resulteren, vraagt naast een actieve houding ook verantwoordelijkheid vanuit beide zijden. Beiden – gast en host – geven vorm aan de autonomie die in deze dialoog in de AIR ontstaat. Internationalisering verhaalt al met al duurzame en open relaties, ondanks dat posities omtrent vrijheid niet gelijk zijn. Interne structuren dienen hiervoor opengelegd te worden in dialoog met Een Ander. In de omgang met internationalisering als proces uitgaande van ‘samen leven’ en inherent verbonden aan de vraag naar (een goede) de toekomst, wordt een mogelijke verschuiving van individuele kunstproductie naar een meer relationele benadering in de kunsten zichtbaar gemaakt. Anders dan grote instituten in de kunst, kunnen AIR’s als alternatieve netwerken voorbij thematische benaderingen aangaande de actualiteit, de kunstecologie ook als zodanig bevragen in dialoog met de actualiteit waarin zij bestaat: zij stellen artistieke en intrinsieke waarden van kunst voorop, iets dat méér is dan het kunstwerk in een expositiecontext.  

Concreet betekent dit het handelen vanuit vertraging en tijd in de breedte van de begrippen, weg van het nutsbegrip, waar vertraging inherent aan reizen het reizen als vraagstuk centraal stelt; en tijd een lange termijn proces vergt voor het vormen van relaties. Juist in AIR’s kunnen middels relaties experimenten met alternatieve vormen van leven worden verricht, bijvoorbeeld in relaties met lokale partijen als universiteiten, educatieve instituties, andere culturele organisaties, ziekenhuizen, het bedrijfsleven, klimaatorganisaties en politiek. AIR’s kunnen actieve plekken zijn om verschillende regimes met elkaar in verbinding te brengen en ontmoeting te stimuleren, wat in het internationaliseringsbegrip van belang lijkt te zijn. Zodoende krijgt internationalisering ook op lokaal niveau een wezenlijke inbedding, door van internationaal-globale aanwezige perspectieven te leren in de verhouding lokaal-globaal (als translokaal proces). Of, zoals door Boon (2019) geconcludeerd: het lokale als strategie te benaderen om de internationale waarde van lokale activiteiten te bevragen – door internationalisering te onderzoeken als bijdrage aan lokale ontwikkeling.  

Dit vraagt in het Hoe met internationalisering (specifiek voor AIR’s) het mogelijke heroverwegen van de plek als open source, in verbinding met het leven buiten de kunst, waar het tegelijkertijd plek biedt aan individuele kunstenaars voor tijd en experiment: het is – om de woorden van Antti Majava (2019) te parafraseren – een keuze om te kiezen voor de ondersteuning in en van het onderzoek naar een duurzame toekomst, beginnend bij de eigen voetafdruk. Dit vraagt om de optiek van de reizende kunstenaar onderliggend aan wereldwijde AIR’s in het licht van de dag als individueel paradigma te heroverwegen: het model van de AIR als pragmatisch- en collectief open laboratorium te durven benoemen, en de autoritaire Westerse optiek van internationale politiek te verruimen. Veelal wordt dit in Sectie 4 als noodzakelijke ontwikkeling aangekaart.  

In Fase 2 centraliseer ik de lokale dialoog als focuspunt voor internationalisering – denkend over translokaliteit en collectiviteit. Bijkomend aspect is de capaciteit van een context, om dit mogelijk te (kunnen) maken en wederom de notie van collectieve netwerken hierbinnen. De relatie tussen de waarden in het begrip en het kunnen handelen naar die waarden vraagt bijvoorbeeld accommodatie en tijd, evenals het werken met samenwerkingspartners en het openstellen van de eigen houding en ‘artistieke identiteit’. Naast de mentale capaciteit die internationalisering definieert is ook de fysieke capaciteit hierbinnen zoals gezegd speerpunt van aandacht.  


how can one transcend the limits of one’s locality without abandoning one’s connection to that locality, i.e. how to transcend borders without entering into a generic global world of art? Translocality is not a definitive answer to that question – a sort of gefundenes Fressen to be discovered in one or another article – but instead comprises that very question (Boon, 2020).




Vanuit de bestudeerde theorie in deze 1e Fase kunnen de volgende thema’s worden benoemd als centrale gespreksthema’s die worden meegenomen naar Fase 2, in gesprekken met het veld evenals met de AIR’s in Brabant:


1.         Mobiliteit (en duurzaamheid)


Gespreksthema 1: Fysieke afstand (duurzaamheid/klimaat)

Gespreksthema 2: Mentale afstand (hypermoboliteit, duurzame kunstecologie)


2.         Aanraking: autonomie en collectiviteit


Gespreksthema 3: Inclusie (internationalisering tussen culturen ‘hier’ ipv naties)

Gespreksthema 4: Relationele autonomie (van ‘ik’ naar ‘wij’ relaties (in AIR’s)) 


3.         Artistiek productieklimaat (procesgericht handelen)


Gespreksthema 5: (Trans)lokaliteit (vs. internationalisering)

Gespreksthema 6: Productie-af / procesgericht handelen (voorbij Westerse optiek ‘Topkunst’) i.r.t. collectiviteit



Onder deze gespreksonderwerpen zijn vanuit Fase 1 de volgende waarden [lees: een onderliggend principe onder internationalisering van waaruit het begrip belangrijk wordt geacht] benoemd:



MOGELIJKHEID: ‘HOE – INTERNATIONALISEREN’ VOOR AIR’S – VÓÓR COVID-19

In en voor AIR’s lijkt internationalisering al vóór de coronacrisis het nadenken over onderstaande vraagstukken te impliceren. Het komt grofweg neer op:


  • Het vaststellen van normen en waarden (denkwijze) in plaats van het eigen doel / nut te zijn (ik ‘doe’ nu internationaal) (‘ik laat een internationaal kunstwerk naar Nederland komen’). Dit betekent het gesprek te voeren en ernaar te handelen
  • De voornaamste vraag lijkt daarmee te zijn geworden Hoe AIR’s relaties gegrond op vertrouwen in plaats van competitie kunnen bouwen anders dan grote (kunst)instituten, uitgaande van het vraagstuk naar de (trans)lokale inbedding in een community die zij kunnen hebben, de diversiteit in de lokale context vanuit regimes en discoursen als samenwerkingen te denken en een duurzame toekomst van mobiliteit als zodanig te onderzoeken, waar zij tegelijkertijd ook een staat van ‘tijdelijk zijn’ vertegenwoordigen voor individuele gastkunstenaars in een werksituatie op een plek ‘elders’

In onderstaande ga ik, om af te sluiten, kort en bondig in op het Hoe van internationalisering als vraagstukken voor AIR’s voortkomend uit de bestudeerde theorie. Dit kader wordt meegenomen als focus in de Proeftuin Proposal analyse (zie: volgende post) en de gesprekken met AIR’s zelf die ik later in dit onderzoek voer.


Mobiliteit en Duurzaamheid

Gespreksthema 1: Fysieke afstand (duurzaamheid/klimaat)

Gespreksthema 2: Mentale afstand (hypermoboliteit, nabijheid)


  • Voorwaarde: een bewuste omgang met reizen, materiaal en kunstproductie (o.a.) te onderzoeken: als alternatieve vorm van (samen-)‘leven’ en inherent de vraag Hoe en Waarom (nog) fysiek afstand te nemen tijdens de klimaatcrisis en met oog op een Post-Coronasamenleving

Mogelijke overwegingen voor een AIR, zijn:

  • Onderzoek naar vormen van mobiliteit met het oog op een duurzame omgang met de wereld en leefomgeving
  • Optie ter bespreking/overweging: De reis als zodanig als onderdeel van de bevraging van het internationaliseringsbegrip als proces te zien. Dit betekent het benoemen van de reis als onderdeel van de AIR en/of het onderzoek naar alternatieve reisvormen (buiten vliegen)

  • Optie ter bespreking/overweging: Het doen van een AIR elders meer als residentie-hoppen en individuele mobiliteit te zien, maar als onderzoek dat begint wanneer de voordeur is dichtgetrokken: wederom met de reis zelf. Dit vraagt van een AIR het eigen bestaan als meer dan een Studio op een plek elders te benaderen, maar als open infrastructuur
  • Idem: Samenwerking op institutioneel/organisatie niveau worden opgevoerd: bijv. voor het in laten vliegen van mensen en dit collectief te benaderen vanuit
  • Idem: De publieke sfeer online/virtueel onderzoeken in het vraagstuk naar de relatie tussen ‘hier’ en ‘daar’ aangaande de tijd en toekomst. In andere woorden: onderzoek naar inter- of transculturele uitwisseling in de publieke sfeer voortzetten

Het nemen van mentale afstand, betekent:


  • Voorbij een vooringenomen ‘gaze’ komen en gaan, hetgeen vraagt om een inzet op lange maar verantwoorde relaties, verblijven en/of terugkerende contactmomenten als noodzakelijk om de eigen (kunst)maskers en die van de gast af te kunnen zetten: dit vraagt oprechte, wederzijdse interesse
  • De ethiek van kunnen reizen als mentaal vraagstuk te stellen: het begrip kent in haar definitie een ongelijkheid – denk aan versterkte grenzen, migratie en klimaat – het stilstaan bij gelijkwaardige toegang en duurzaamheid gelegen in reizen als zodanig
  • Internationalisering in de organisatie bevragen

Aanraking

Gespreksthema 3: Inclusie (internationalisering tussen culturen ‘hier’)

Gespreksthema 4: Relationele autonomie (van ‘ik’ naar ‘wij’ relaties in AIR’s)


  • Internationalisering als proces vraagt in 1e instantie en van daaruit een vraag naar de eigen organisatiestructuur; door het eigen ‘zijn’ als open vraag neer te leggen: waartoe de AIR zelf ís. Deze Hoe vraag betreft een ethisch vraagstuk waartoe blijvend verhouden kan worden, iets dat méér is dan het tonen van kunstwerken of kunstenaars uit andere landen/ het tellen van aanwezige internationale kunstenaars ‘hier’: het gaat om relaties bouwen en behouden
  • Dit betekent voor een AIR bovenal een bevraging en actualisering van de kunstecologie in kunstproductie en kunstinstellingen als een centralisatie van ‘samen leven’. Een proces, in andere woorden, boven het outsourcen van productie, uitgaande van een duurzame toekomst

  • Dit betekent: geen thematische benadering van onderwerpen als klimaat, duurzaamheid, maar ook inclusiviteit, vrijheid en BLM, waar AIR’s nabij thematisering een stap verder kunnen maken
  • Een basis van en voor contact/ontmoeting betekent daarmee een relationeel proces, wat bijdraagt aan (het onderzoek naar) nieuwe manieren en percepties van leven in dialoog met andere regimes en discoursen (ook buiten de kunsten): hetgeen van de organisatie van een AIR dezelfde houding als van een gast vraagt: open en lerend
  • Het denken in ‘wij’ boven ‘ik’ relaties zo ook op lokaal niveau benoemen: internationalisering speelt niet slechts dáár maar ook in het globaal aanwezige hier. De vraag translokaliteit gerelateerd aan COVID-19 kan nader onderzocht worden (Boon: (2020: “In this generic world, the value of art is determined by a worldwide market hierarchy, in which cultural production is traditionally oriented towards a Western centre.”)

Artistiek productieklimaat

Gespreksthema 5: (Trans)lokaliteit (vs. internationalisering)

Gespreksthema 6: Productie-af / procesgericht handelen (voorbij Westerse optiek ‘Topkunst)


  • Het verbreden van de eerder genoemde optiek internationalisering als fysieke grenspassage (voor het meedingen naar de ‘top’, denk aan Biënnales) tot een het besef dat het begrip niet slechts de reizende kunstenaar van hier naar daar betekent, maar een proces omvat dat zowel lokaal als internationaal speelt verbonden aan de tijd: als een dialoog tussen het globale en lokale in de vorm van communities, relaties en scenes met een lange of nieuwe geschiedenis
  • Internationalisering als proces tussen culturen/communities en/of scenes ipv natiestaten (passage landgrenzen) te lezen. Vanuit het lokale het globale te benaderen en het nationale (het ‘begrensde’) te bevragen: internationalisering verandert dan inherent, omdat het onderscheidt door een grens niet meer dekkend is (natie)
  • Het aangaan van verbinding en samenwerking voorbij de ‘check’ voor beleid: ontmoetingen ‘zijn’ maar ‘zijn’ gegarandeerd niet waardevol, solidair, gelijkwaardig, bilateraal of intrinsiek
  • Dit vraagt om contact/ontmoeting aan te gaan: bijdragend aan (het onderzoek naar) nieuwe manieren en percepties van leven als zodanig
  • Een vraag naar de capaciteit van de context (gastheer, netwerken) treedt hierin op, en inherent het vraagstuk collectiviteit, gerelateerd aan duurzame bewegingen in AIR’s als alternatieve katalysatoren of labyrinten
  • En dus: lokale samenwerkingsverbanden in het ontwikkelen van een (gedeelde) koers onderzoeken in het nadenken over de productie en betekenis van kunst (maken) in deze tijd: de (kunst)ecologie waarin we leven (denk aan: ziekenhuizen, universiteiten, bedrijfsleven, politieke- en klimaatorganisaties) om op lokaal niveau van globaal- aanwezige perspectieven te leren ‘hier’ aanwezig. (Hoe) kunst buiten het kunstregime te onderzoeken in het denken over de kunstecologie: het onderzoeken van verbanden in de eigen omgeving aangaande educatie, politiek, milieu, universiteiten, etc. etc.
  • Covid-19 kan onze internationale passie een nieuw leven inblazen, aldus Boon (2020), met structuren die passen bij deze samenleving en de toekomst: niet af te sluiten van globalisering en de mondiale wereld, maar door een praktijk te integreren in een sociale en culturele omgeving en vanuit daar te reageren op globale uitdagingen

  • Optie ter bespreking/overweging: de AIR meer als ‘open lab’ of ‘open source’ te zien voorbij individuele ontwikkeling, in het aanmeten van meer duurzame manieren van organiseren

Of wordt duidelijk dat dit ongemakkelijk is, uitblijft, en de positie van een AIR inzet op creatieve vrijheid van het individu?


  • Dit vraagt: de benadering van een AIR als situatie te duiden: een volledige infrastructuur (en dus niet alleen een Studio op een locatie elders). Een worteling in een aards proces bekeken vanuit de eigen, specifieke eigenschappen in de omgeving; als focus in de relatie met ‘elders’
  • Dit betekent: een relationeel paradigma, maar generalisatie voorkomend doordat iedere plek vanuit de eigen infrastructurele inbedding denkt en werkt (denk aan: de politieke situatie, omgeving, klimaat, landschap, geluid, lucht, temperatuur, dieren en soorten)
  • Al met al vraagt deze inzet op onderzoek een keuze van en naar AIR’s in hoeverre de transitie van een duurzame toekomst te ondersteunen
  • Inherent hieraan staat het bieden van een veilige plek voor deling en gastvrijheid boven competentie en overleving. Hier treedt de vraag op wat de AIR te bieden heeft, iets wat samenhangt met beloften, mogelijkheden en verantwoordelijkheid. De capaciteit van de context gerelateerd aan duurzaamheid in AIR’s als alternatieve katalystoren in de kunst, maakt;

Kortom:

  • De notie van collectiviteit of samenwerking onder AIR’s in een lokale of regionale context die de machinerie van kunstproductie en leven bevragen; waar zij tegelijkertijd meespelen in die machine. Dit is een vraag die gesteld moet worden aan en in AIR’s. Het werkveld waar ik begin Fase 2 mee spreek kan de omgang hiermee (het Hoe) mogelijk verscherpen met oog op de toekomst
  • Gerelateerd als praktische vraag naar de capaciteit van de context (gastheer, netwerken) en inherent het vraagstuk collectiviteit voor duurzame internationaliseringsbewegingen in AIR’s als alternatieve katalysatoren of labyrinten

In mijn volgende post centraliseer ik de Proeftuin aanvragen van de AIR’s in Brabant vóór COVID-19 vanuit bovenstaand kader. In Fase 2 ga ik in op het internationaliseringsbegrip tijdens COVID-19 en met oog op de toekomst, daar waar Boon (2020) de volgende aanzet voor geeft:


An open understanding of translocality – indeterminate as a general theory, to be concretised only through particular practices – therefore offers us a first orientation in responding to the challenges of globalisation. As a result, the corona krísis might encourage us to revitalise our international cultural passion with renewed solid legitimations that fit both current society and tomorrow’s world. (Boon, 2020)



Symposium - On Affecting Change (2020, 2021)

BIBLIOGRAGIE

Boon, E. (2019, 4 juli). What does cultural internationalisation mean anno 2021?|DutchCulture. https://dutchculture.nl/en/news/what-does-cultural-internationalisation-mean-anno-2021

Boon, E. (2020, 2 juni). Translocality: artistic internationalisation
after the corona crisis|. DutchCulture.
https://dutchculture.nl/en/news/translocality-artisticinternationalisation-after-the-corona-crisis

Majava, A. (2019). Residing in Trouble. In Gielen, P., Kokko, E., & Elfving, T. (Red.), Contemporary Artist
Residencies. Reclaiming Time and Space
(pp. 209-220). Valiz.

Contact

Voor aanvullingen, overwegingen, bronnen, vragen en interesse tot dialoog (e.d.), mail naar lizavoetman@gmail.com of neem contact op met AIR platform Brabant via deze website.


Dit onderzoek wordt ondersteund door het Mondriaan Fonds.