Back to overview

‘Het internationaliseringsbegrip in en voor Brabantse AIR’s’, wat betekent dat? In deze post verbind ik de theoretische inzichten en getrokken conclusies van afgelopen maanden, grofweg geduid als de eerste Fase van het onderzoek naar het internationaliseringsbegrip voor AIR’s in een Post-Coronasamenleving voor je, aan de Proeftuin Internationalisering aanvragen die vóór de coronacrisis door Brabantse AIR’s in het leven zijn geroepen. Zo wordt inzichtelijk gemaakt wat Brabantse AIR’s met internationalisering beogen binnen de context van het kader van de Proeftuin door BrabantStad en Kunstloc, geschreven vóór COVID-19. Wat valt op, bekeken vanuit het individuele en resulterend in een meer collectieve analyse?


Noot: Met deze post wordt deze eerste fase, een fase die het internationaliseringsbegrip vóór COVID-19 breed in beeld brengt, definitief besloten.


Scroll hier terug naar de inleiding van dit onderzoek

Scroll hier naar Post 2: Beleid

Scroll hier naar Post 3: Kunstdiscours

Scroll hier naar Post 4: (Kunst)onderwijs

Scroll hier naar Post 5: Literatuur

Scroll hier terug naar de recap die op basis van voorgaande post gemaakt kon worden



Uit: Nabijheid (2020) door Marlies De Munck en Pascal Gielen


De Proeftuin Internationalisering aanvragen die in dit onderzoek als casus fungeren zijn afkomstig van Make & De Fabriek (Eindhoven), sundaymornings@ekwc (Oisterwijk), PARK (Tilburg), Witte Rook & Stedelijk Museum Breda (Breda), Willem II Studio’s (Den Bosch), GADE (Den Bosch) en AIR platform Brabant (verdeeld over de Brabantse steden, zie deze website).

In onderstaande analyse richt ik mij op het Wat van internationalisering (het geloof in het begrip en hoe daar concreet in acties vorm aan te geven),  het Waarom (kritisch naar de waarde van het begrip en de urgentie ervan) en het Hoe (het handelen vanuit wederzijdse betrokkenheid, hetgeen méér is dan een eenmalige actie van ‘hier’ naar ‘daar’ voor het eigen symbolische kapitaal). Belangrijk te vermelden is dat dit puur een analyse betreft van de Proeftuin aanvragen, waar internationalisering een breder fundament kan hebben ‘achter de tekst’. Dit staat in de gesprekken die ik met de AIR’s later in dit onderzoek voer, dan ook centraal. Vooral ben ik benieuwd naar het antwoord op de vraag: Kunnen we enkel op gemeenschappelijk niveau ‘internationaliseren’ (in Brabant)? Dit is een vraag die ook pas later beantwoord kan worden. Desalniettemin vormen de Proeftuin proposals het vertrekpunt van dit onderzoek, vanuit waar ik Brabantse AIR’s voor nu dus graag inleid.

In deze laatste post van Fase 1 staat deelvraag 6 van dit onderzoek expliciet centraal, zoals in de inleiding van dit onderzoek ingeluid: Wat is/wordt duidelijk t.a.v. het internationaal opereren als Platform [van Brabantse AIR’s]?



KUNNEN WE ENKEL GEMEENSCHAPPELIJK INTERNATIONALISEREN (IN BRABANT)?


Deze vraag wordt zoals gezegd in de 2e Fase van dit onderzoek verder onderzocht, maar hier wordt op de website van het Platform in 2019 in ieder geval al over vastgesteld dat een gezamenlijk project, zoals een AIR week tijdens de jaarlijkse Dutch Design Week (Eindhoven), ‘het internationale opereren als Brabantse spelers dan mogelijk collectief zou kunnen benaderen’.[1]

Onderstaande analyse bestaat uit 2 delen:

  • Het eerste deel van onderstaande analyse is opgesteld n.a.v. de Proeftuin aanvragen zelf: Wat brengt dit gezamenlijk in beeld over internationalisering?
  • Het tweede deel verbindt deze inzichten aan de recap van secties 1 t/m 4, zoals uiteengezet in mijn vorige post: Wat wordt er in de aanvragen al zichtbaar over de identiteit van Brabantse AIR’s aangaande internationalisering, en wat voor vragen levert het op?

1.        Download hier de PDF waarin meer informatie over de Proeftuin aanvragen te lezen is. Of,

2.         lees hieronder verder om direct door te gaan naar de analyse die gemaakt kan worden


ANALYSE 1: DE PROEFTUIN

Wat is/wordt duidelijk t.a.v. het internationaal opereren als Platform [van Brabantse AIR’s]?


WAT IS INTERNATIONALISERING VOOR BRABANTSE AIR’S  

In de Proeftuin aanvragen door Brabantse AIR’s wordt het belang en de betekenis van internationalisering sterk bekleed vanuit de wens naar samenwerkingen met partners elders in de wereld, voor culturele uitwisseling van en voor beiden. Veelal worden samenwerkingen met partners vanuit AIR’s in Brabant elders gewenst vanuit relaties die (al) bestaan en die zodoende voortgezet kunnen worden of in stand gehouden kunnen worden. AIR’s kunnen dus vanuit affectie en affiniteit, iets dat tussen ‘hier’ en ‘daar’ wordt gedeeld, verbindingen organiseren buiten de eigen context, waarvan velen echter nog gerealiseerd moeten worden (verbindingen ‘zijn’ niet vanzelfsprekend!).  

Opvallend is de focus op de tweeledige interesse die voor deze dialoog voor Brabantse AIR’s aanwezig moet zijn, om samenwerking over grenzen überhaupt mogelijk te maken. Dit betekent dat internationalisering vanuit een gedeelde, intrinsieke motivatie tot het studieobject/de casus kan ontstaan binnen AIR’s, bijvoorbeeld aangaande het (gedeelde) verleden, maar ook kennis over ambacht en de actualiteit. Alle AIR’s handelen hierin vanuit een andere klemtoon, zoals GADE vanuit de grafische kunsten en Willem II Studio’s vanuit oude technieken in het werken met klank.  

Naast spelers elders worden nationale samenwerkingen bescheiden benoemd als onderdeel van internationalisering voor AIR’s in Brabant, om binnen Nederland tot gedeelde vragen te komen die onderzocht kunnen worden in samenwerking met anders spelers; juist vanuit de eigen focus van de AIR. Elke AIR neemt hierin een andere positie aan, in lijn met de verschillende identiteiten van de AIR als zodanig. Proeftuinen zijn in Brabant o.a. trajecten voor ontwikkeling van techniek, voor werkperiode- en presentatie en de koppeling van ambacht- en presentatie.  

Ook lokale actoren spelen een rol in het bestendigen van de komst van een internationale kunstenaar in Brabant, waar de AIR verbindingen met andere partijen kan maken vanuit inhoudelijk fundament; zoals het verblijf van een kunstenaar in GADE in Minitopia (Den Bosch) inzet op duurzaamheid, of de samenwerking met Witte Rook met SM Breda voor een toegang in het archief van de stad en inhoudelijke deling van het project. Het netwerk in Brabant aanreiken waarvan gebruik gemaakt kan worden voor onderzoek, wordt voelbaar als mogelijkheid in het belang van internationalisering in de regio.  

Met oog op de het heden en de toekomst treedt hierin de vraag naar de wens van deze wederkerige en bestendige uitwisseling op vanuit de fysieke inbedding in een AIR, die niet per se het passeren van reizen hoeft te betekenen en uitwisseling aanvullend ook digitaal kan benaderen. Dit laatste wordt door Witte Rook en Breda tijdens COVID-19 n.a.v. een aangepaste Proeftuin aanvraag opgeworpen.  
WAAROM INTERNATIONALISERING VOOR & DOOR BRABANTSE AIR’S:  

Internationalisering lijkt voor Brabantse AIR’s belangrijk om de eigen perceptie te verruimen door het ontwikkelen van partnerschappen of kunstenaars die een intrinsieke motivatie tot dialoog delen. Dit komt neer op samenwerkingen die een focus leggen op ontwikkeling, de rijke/gedeelde/exclusieve geschiedenis, gevestigde relaties, affiniteit met materiaal en logische reisstromen. Samenwerkingen zijn inhoudelijk gefundeerd vanuit de identiteit van de AIR.  

Een dialoog gaat bovenal uit van artistieke ontwikkeling, intrinsieke waarde van kunst: waar de AIR’s duidelijk voor staan. Voelbaar is daarnaast een focus op de ontwikkeling van de eigen identiteit als plek, maar veelal geladen vanuit inhoudelijke interesse in of voor Een/ De Ander. In die samenwerkingen kunnen waardevolle projecten of kunstwerken ontstaan, zo stellen de Proeftuin documenten van de AIR’s, om bij te dragen aan de realisatie of ontwikkeling hiervan, door bijv. alternatieve presentatievormen te onderzoeken, een inhoudelijk kader aan te bieden om vanuit te werken of juist specifieke technische kennis aan te kunnen bieden.  

Brabant biedt hierin een divers pallet aan AIR’s aan die, zoals het voorbeeld Make en De Fabriek toont, ook samen kunnen werken. Ook dit is zowel inhoudelijk gefundeerd voor (zowel artistieke als meer economische) groei, evenals voor de exposure die het biedt voor Brabant (of een stad in deze Provincie, zoals Eindhoven). Het inhoudelijk- artistieke fundament van de plannen draagt volgens AIR’s zelf dus bij aan een grotere zichtbaarheid.  
HOE INTERNATIONALISERING (Handelingswijzen) DOOR BRABANTSE AIR’S:  

De volgende uitspraken worden over de omgang met uitwisseling, samenwerking of dialoogvorming vastgesteld in de Proeftuinen Internationalisering:  

Het bieden van werkkaders voor een tijdelijke resident of aanreiken van een netwerk is essentieel, boven een ontvangst van een gastkunstenaar pur sang

Het openleggen van de discussie ‘actuele kunst’ kan middels het werk(proces) van de kunstenaar worden gevoerd

Het collectief delen van waarden die verduurzaming kunnen bestendigen wordt uitgeschreven

Persoonlijk contact met en tussen partners wordt als waardevol geacht
Intrinsieke motivatie moet tweezijdig zijn en kan vanuit een centrale thematiek goed worden ingebed

Tijdens het proces is het netwerk aanreiken evenals het bieden van podium en publiek in de presentatie ervan belangrijk

Bestaande en/of belangrijke en inspirerende contacten worden ingezet voor de ontwikkeling van beiden

Van elkaars middelen wederzijds gebruik kunnen maken is mogelijk door uitwisseling

Vanuit soortgelijke belangen tussen verschillende instellingen kan worden onderzocht

Gastvrijheid kunnen bestendigen is essentieel voor de meeste AIR’s De eigen identiteit van de plek te onderstrepen en deze helder te profileren maakt een wens helder (maar, zie kolom 1, de openheid voor dialoog ook nauw)      

ANALYSE 1: DE PROEFTUIN (S.5) I.R.T. DE RECAP (S. 1 t/m 4)

Zoals reeds vastgesteld is internationalisering als proces een denk- en zijnswijze en boven het eigen doel of nut te zijn (ik ‘doe’ deze zomer/in dit project internationaal). In onderstaande analyse leg ik de inzichten die hierboven zijn uitgewerkt van Brabantse AIR’s naast de inzichten uit de 1e 4 secties. Dit om te kijken waar aanvullende vragen liggen ten aanzien van het heden en de toekomst (na COVID-19), opgesteld na het lezen van de Proeftuin aanvragen.


Kader 1 t/m 4 toegepast op 5:Kader 1 t/m 4 toegepast op 5:Kader 1 t/m 4 toegepast op 5:  
De wens naar langere netwerken en verbanden wordt veelvuldig uitgesproken in Brabant. AIR’s maken de verbinding tussen lokale vraagstukken en de komst van een internationale kunstenaar, maar het translokale denken – het toenemende globale belang van lokale interacties en andersom – als hedendaags vraagstuk, wordt in de Proeftuin aanvragen overwegend praktisch aangevlogen. Een Ander kan een blik werpen op het vraagstuk dat in de stad van de AIR of in de AIR speelt, maar deels lijkt dit ook bij te kunnen dragen aan een bevestiging van de eigen identiteit van de plek. Door de komst van Een Ander kan er, zoals in theorie zichtbaar wordt, juist (opnieuw) antwoord op gegeven worden.

Een Ander kan de perceptie op kunst verruimen, maar hoe speelt de verruiming van een organisatiestructuur hierbinnen een rol? Doet dit er toe? Wederom speelt de vraag op: ‘Draagt internationalisering wel echt bij aan oprecht-inhoudelijke uitwisseling?’, zoals De Cock stelde (2020), en wat betekent die inhoudelijke uitwisseling dan eigenlijk?  

Aanvullend is zichtbaar geworden in Fase 1 dat in lijn met de tijd een focus op collectiviteit en duurzaamheid in de bestendiging van interculturele dialoog wordt omarmd, waar AIR’s plekken kunnen zijn die de intrinsieke waarde van kunst en kunst maken voorops tellen doch kunnen onderzoeken. Veelal wordt in de Proeftuin aanvragen toegeschreven naar de productie mogelijk maken van nieuw werk, voor de individuele kunstenaar en om van deze kunstenaar te leren. Naast de fysieke mobiliteit tussen plekken, mensen en objecten, lijkt de mentale mobiliteit van organisaties die internationalisering erkennen als onderdeel van het eigen zijn, een bredere vraag.

Hiervoor is zoals de eerdere secties zichtbaar maken niet enkel het bieden van een Studio elders waardevol, evenals het aanreiken van een netwerk in de realisatie van nieuw werk, maar vooral het bevragen van de eigen structuren door de aanwezigheid van deze relatie: wat is deze relatie dan, waarmee vindt circulatie plaats, hoe vindt circulatie plaats en wat is de rol van het netwerk in de regionale context van Brabant voor AIR’s?  Voor concentratie bestaat je eigen atelier, een AIR is méér dan die individuele concentratie.

Dit betekent al met al de blik door Een Ander naar Het Zelf terug te werpen: kijkend naar het eigen programma, de toekomst van kunst, de kunstecologie als zodanig, de ecologie en voetafdruk in het klimaat die we stimuleren en de inbedding van uitwisseling.

De aanvragen geven hiertoe veel ruimte om verder over door te spreken, vanuit een unaniem geloof in de intrinsieke waarde van kunst: die in culturele uitwisseling enkel kan ontwikkelen.  
Zoals zichtbaar geworden draagt internationalisering an sich niet per se bij aan een oprecht-inhoudelijke uitwisseling. Los van het feit dat dit een wens kan zijn, betekent dialoog het openstellen van de plek (de AIR) als zodanig: door het Hoe van de eigen identiteit (ook) op tafel te durven leggen en ook discensus te omarmen. Een AIR kan juist, anders dan (grotere) instituties, de omgang tussen gast en host evenals de eigen waarde in de tijd van zijn, omarmen én bevragen.

De Hoe vraag naar de eigen identiteit als abstracter denkfundament kan in het internationaliseringsvraagstuk meer aandacht krijgen, door het niet als ‘los’ programmaonderdeel te benaderen. Wanneer dit laatste gebeurt, wordt er snel op concretisering van plannen overgegaan. Wanneer internationaal, of intercultureel denken vanuit translokaliteit, niet als los maar als onderdeel van de identiteit wordt gezien, bereiken we het punt van de Westerse optiek en hiërarchie in de kunsten waar internationalisering lange tijd aan verbonden lijkt te zijn geweest; wat door AIR’s heden ten dage kan worden verbreed. Zo ook het denken over duurzaamheid, wanneer het begrip niet slechts als thema maar als werkethos een plek krijgt. Dit met een blik op de toekomst, waarover door Nurmenniemi (2019) al helder gesteld: kritische houdingen ten aanzien van gender, afkomst, kapitalisme en duurzaamheid zijn niet meer te negeren, waar deze begrippen direct op tafel liggen in het internationaliseringsvraagstuk.

Dit vervangt de intrinsieke waarde van kunst maken en onderzoeken, waartoe de AIR is, niet. Het staat er niet los van. Internationalisering in de kunsten ‘is’, waar de aanname van hetgeen wat het ‘is’ in aanvragen verder niet ter discussie wordt gesteld, maar sterk vanuit de waarde in het artistieke werk(proces) en dus in de kunst wordt ingestoken.  

Kortom: Belangrijk scherp te houden is de twee- of meerzijdige reflectie die (ondanks het niet kunnen passeren van grenzen) inhoudelijk gegrond moet blijven om te leren van culturen en internationale partners- en kunstenaars. Het verruimen van de eigen perceptie staat op één in het Waarom van internationalisering in de aanvragen van de AIR’s. Het Zijn van een AIR vanuit de overtuiging van ‘de’ eigen artistieke identiteit (1) of de eigen organisatie meer openstellen én noodzakelijk openstellen door de komst van Een Ander (2), evenals de vraag op Het Zelf en Een Ander te werpen door te reflecteren wie Deze Ander is en wie Deze Ander (nog) niet is (3), lijken echter verschillende houdingen te betekenen.  

Wederom verhaalt dit een keuze: wordt internationalisering benaderd vanuit het meer traditionele ‘tonen’ van culturele stemmen om bij te dragen aan een inclusief, actueel debat dat gevoerd wordt rondom het kunstwerk zelf of dat de artistieke ‘taal’ van kunst verruimd, of leest een internationale samenwerking tussen culturen meer als actieve vraag en onderzoek naar Het Zijn van een AIR, wat naast de erkende intrinsieke waarde van meertaligheid ook de organisatiestructuur van een AIR in een wereld die haaks aan haar lijkt te staan (gedacht in nut en economisch rendement) vraagt te onderzoeken.
Vanuit de AIR’s wordt, of dit nu praktisch of inhoudelijk is gefundeerd, nagedacht over het aanreiken van een netwerk of werkkader voor de resident. Zoals in sectie 1 t/m 4 duidelijk werd, is internationalisering niet slechts een beleidsterm: het vraagt naast de gastvrijheid en capaciteit die je als organisatie biedt en die vanuit werkkaders niet onvoorwaardelijk hoeft te zijn, ook het opwerpen van de vraag naar het eigen bestaansrecht in een neoliberaal systeem waar de kunst onderdeel van is. De verbintenis met de tijd waarin wordt gehandeld, kan nadrukkelijker onder de aandacht worden gesteld. De omgang met een gast wordt goed ingebed in dat wat een AIR kan bieden, maar de implicaties van iemands komst en Hoe iemand te laten komen, kan juist in een AIR als onderdeel van de komst worden benaderd. 

Ook de internationalisering van een organisatie valt daar zoals gezegd onder, en de verduurzaming in en van een plek. AIR’s schrijven toe naar lokale actoren in de inbedding van een urgente thematiek, maar de bevraging van zichzelf door deze inbedding of vanuit deze inbedding, is in de teksten niet benoemd.

Mogelijkheden die door Brabant in de teksten wel worden omarmd zijn regionale (Brabant) of lokale (samenkomst in een situatie tussen spelers) samenwerkingen die verbonden kunnen worden aan centrale thematieken, welke de AIR als verbindingsorgaan zien in een groter netwerk van samenleven. Het internationaliseringsvraagstuk is hier méér dan de komst van een internationale kunstenaar, maar een verbinding met en in een internationaal-lokale infrastructuur.

Dit vraagt, bijkomend, aan Brabant om de optiek van de reizende kunstenaar onderliggend aan wereldwijde AIR’s in het licht van de dag als individueel paradigma te heroverwegen: ecologisch, maar ook sociologisch. Het model van de AIR in het vraagstuk naar uitwisseling of interactie vanuit de intrinsieke waarde van kunst (maken) te onderzoeken voorbij individualistisch symboolkapitaal en de autoritaire Westerse optiek van internationale politiek daarmee te verruimen.  

In Fase 2 ga ik dieper in op de vorming van een netwerk.  

Vragen die ik meeneem:  
Willen AIR’s in Brabant in dit structurele toekomstgerichte gesprek een rol spelen?

Internationalisering speelt anders als er niet meer gevlogen kan worden: wat betekent dit – een andere verhouding tot een AIR ‘elders’?

De relatie fysieke en virtuele uitwisseling kunnen worden bevragen: dit wordt tijdens COVID-19 door Witte Rook en SM Breda opgepakt. Hoe kan het aanvullend mogelijk verreikend zijn?

Hoe wordt gedacht over de mogelijkheid van het netwerk in het inzetten van (internationale) budgetten voor AIR’s?

Waarom staat contact nu on hold, als uitwisseling en dialoog een lange termijn proces vraagt?

De rol van een AIR in een infrastructuur verbonden aan andere discoursen in het lokale, wordt met name in de kunsten gezocht nu. Hoe zien we de AIR in het vraagstuk translokaliteit: de inbedding in een omgeving, denk aan het natuurlijke, stedelijke, het landschap en inwoners?

Voor meer mogelijke handelingen in het Hoe van internationalisering, voortkomend uit de bestudeerde theorie, verwijs ik je naar mijn vorige post.


Kortom,

In de vertraging van een versnelde wereld kan de AIR, door het ‘wachten’ in het ‘willen’ te omarmen (in de woorden van Bauman (1998) die de postmoderne mens duidde als mens die wil, maar daarvoor niet wil wachten) als ruimte voor experiment, inbedding, intrinsieke waarde van kunst (maken), het vormen en formuleren van samenwerkingen en interacties, en het zijn van een plek méér dan een atelier elders hiërarchie van instituties en radicale machtsrelaties bevragen. Door de uitwisseling tussen culturen, regimes en personen voorop te plaatsen vanuit de plek waarin de intrinsieke waarde van kunst (maken) de hoofdrol speelt, bereiken we in het internationaliseringsvraagstuk een nieuw gebied: het is méér dan het laten komen en gaan van individuen tussen ‘Hier’ en ‘Daar’. Dit gebied lijkt passend(er) te zijn in een wereld met vervaagde grenzen.

Juist omdat iedere AIR anders is en geworteld is in een andere context, wat haar onderstreepte waarde is, kan zij vanuit de eigen eigenschappen en artistieke identiteit handelen in deze relatievorming: door de eigen basis als plek in dialoog open te stellen en verder te ontwikkelen via artistieke uitwisseling en diversiteit, opdat generalisatie en hierarchie wordt voorkomen. Het ethische vraagstuk achterliggend aan zowel internationalisering als het zijn van een AIR, bereikt de vraag naar Waartoe te gáán en Waartoe te verhouden. In internationale circulatie zijn AIR’s plekken die meebewegen in een altijd bewegend ‘zijn’ tussen ergens en nergens, waar zij tegelijkertijd in het moment van tijdelijk ‘zijn’ altijd ingebed ‘zijn’ als plek, vanuit hun worteling in een lokale context.

Vanuit ecologisch, politiek en economisch perspectief en in het licht van de klimaatcrisis (en nu de coronacrisis), kan ecologie onder AIR’s kritisch worden bekeken: niet slechts te lezen als het Hoe van reizen, maar ook de omgang met versterkte grenzen in een wereld die zich niets van grenzen aantrekt (denk aan de COVID-19 verspreiding), ongelijkheid en gentrificatie. Het inkleden van internationalisering als onlosmakelijk verbonden aan een kunstwereld die internationaal ‘is’, betekent dat juist dit ingebedde ‘zijn’ als waarde moet worden bevraagd. Wordt de focus op individuele productie in AIR’s nog de verkozen focus in de toekomst, en zo niet: hoe samenwerking of collectiviteit een grotere waarde te laten spelen in het gesprek over de AIR als alternatieve katalysator; tegen hiërarchie (in en buiten de kunsten) als zodanig?


Het inkleden van internationalisering als onlosmakelijk verbonden aan een kunstwereld die internationaal ‘is’, betekent dat juist dit ingebedde ‘zijn’ als waarde kan worden bevraagd. Wordt de focus op individuele productie in AIR’s nog de verkozen focus in de toekomst, en zo niet: hoe samenwerking of collectiviteit een grotere waarde te laten spelen in het gesprek over de AIR als alternatieve katalysator; tegen hiërarchie (in en buiten de kunsten) als zodanig?


Net zoals inclusiviteit vragen internationalisering, interculturaliteit of translokaliteit een doorlopende bewustwording. Ook en misschien juist in deze crisistijd kunnen of moeten hier stappen in worden ondernomen: waar een internationale kunstwereld die jarenlang ‘is’ geworteld tot het punt waar we nu zijn, bijna haaks staat aan het heden: het is onmogelijk, fysiek en mentaal, om terug te keren naar wa was en het verleden protagonist te laten spelen in ons huidige en toekomstige denken. Zoals Nurmenniemi stelt: “The organization’s rhytms and cycles, the choosing of coffee, dishwashing tablets, biodegrabable cups, the slection process and means of travel for the resident artists, thermostats in the studio, was of communicating the bigger and smaller steps to different stakeholders, all need to be considered” (2019: 203), waar Montmann (2019) al kritisch aan het licht bracht dat een toekomst-georiënteerde AIR voorbij moet gaan aan de traditionele parameters in de kunst en residenties moet inzetten om een sociale ruimte te ontwikkelen die autoritaire politiek (in de kunsten) tegengaat. Ook interculturele uitwisseling zonder bewuste omgang met reizen, aldus Elfving (2019), steunt op idealistische impulsen en diplomatieke soft power. Die tijd van onschuld is al met al echt over: ook als het gaat om internationale mobiliteit binnen Europa.


Mobiliteit en aanraking: Betekent het sluiten van grenzen een stagnatie van internationaliseringsplannen?

  • Wanneer internationalisering in de kunsten wordt gedacht vanuit het ‘zijn’ van het begrip, niet als iets om naar te streven – maar als realiteit die ís – werpt deze tijd de blik direct terug. Het Waarom van internationale circulatie en de vraag naar oprecht-inhoudelijke uitwisseling, speelt op. Als internationalisering het invullen van een los programmaonderdeel is in een AIR, staat het nu inderdaad stil. Als het om een structurele uitwisseling gaat voor de eigen groei (niet economisch), vraagt het om alternatieve vormen van uitwisseling: nu en in de toekomst. Dit betekent een hernieuwd systeem of fundament in het maken van kunst en de betekenis hiervan.

Mobiliteit, aanraking en artistiek productieklimaat: Wat zijn de intenties om met het internationaliseringsbegrip duurzaam om te kunnen gaan?

  • Zoals bovenstaande laatste analyse zichtbaar maakt, kan hierover het gesprek worden aangegaan met AIR’s in Brabant.

Aanraking en artistiek productieklimaat: Gaat het tonen van internationale kunstenaars over internationalisering?

  • Deels, het is een actie die gehoor kan geven aan onderliggende waarden maar niet internationalisering pur sang. Het vraagstuk Waarom tonen, Wat tonen eigenlijk impliceert en Hoe internationale kunstenaars tonen ‘hier’ en andersom, betekent een proces dat bovenstaande zaken in ogenschouw kan nemen áls onderzoek.

Artistiek productieklimaat: Wat betekent ‘internationaal betekenis’ hebben voor AIR’s (in Brabant)?

  • Zie bovenstaande analyse onder ‘Wat’ en ‘Waarom’ n.a.v. de Proeftuin analyse.

Artistiek productieklimaat: Hoe draagt internationalisering bij aan zichtbaarheid en bestaansrecht van AIR’s (in Brabant)?

  • Zoals de Proeftuin aanvragen stellen: met name door lokale verbindingen te maken, internationale kunstenaars op vraagstukken te laten reageren (en andersom) en uiteindelijk inhoudelijke lijnen tussen ‘Hier’ en ‘Daar’ te bestendigen als netwerken, met een gedeelde affiniteit. Ook de diversiteit aan stemmen in en buiten AIR’s in een lokale context is waardevol in het bouwen van meer coherentie. De AIR is daarmee geen losse entiteit, maar een spil in een context. Dit is uit Fase 1 een aanbeveling, waar ik in Fase 2 verder op in ga. Beginnend bij de actualisatie van het begrip internationalisering in het veld tijdens COVID-19.


JE START NU AAN DE TWEEDE FASE VAN DIT ONDERZOEK: INTERNATIONALISERING TIJDENS COVID-19 EN MET OOG OP DE TOEKOMST

[1] https://airbrabant.nl/het-vormen-van-een-netwerk/

BIBLIOGRAFIE

Bauman, Z. (1998). Globalization: The Human Consequences.
Polity Press.


Contact

Voor aanvullingen, overwegingen, bronnen, vragen en interesse tot dialoog (e.d.), mail naar lizavoetman@gmail.com of neem contact op met AIR platform Brabant via deze website.


Dit onderzoek wordt ondersteund door het Mondriaan Fonds.